Drie toekomstmodellen voor flexibele arbeid in de agrarische sectoren

In de agrarische en groene sectoren kennen we veel flexibele arbeidsinzet. In tijden van topdrukte worden tijdelijk mensen ingeschakeld. In de toekomst kunnen bedrijven bewuster kiezen voor een bepaald model voor inzet van flexibele arbeid in hun bedrijf. Actor/Colland Bestuursbureau liet drie modellen ontwikkelen, als resultaat van een studiebijeenkomst.
Over gewenste ontwikkelingen in de toekomst organiseerde Actor/Colland Bestuursbureau in juni een studiebijeenkomst. De huidige situatie verschilt per sector. In verschillende sectoren, bijvoorbeeld de glastuinbouw, zien we door de jaren heen een sterke stijging van het percentage uitzendkrachten, terwijl de vraag naar arbeid door het jaar redelijk stabiel is. Het grotere percentage flexwerk ontstaat hier uit andere motieven. De belangrijkste daarvan is het streven naar de laagste kosten van arbeid en als tweede het beperken van het ondernemersrisico; de flexwerkers kunnen immers van de ene op de andere dag worden bedankt. In andere sectoren, bijvoorbeeld de hoveniersbranche, zien we een omgekeerde ontwikkeling.
Welke ontwikkleing in de toekomst
De ontwikkelingen roepen vragen op; waar gaat het naartoe als we de natuurlijke ontwikkelingen hun gang laten gaan? Waar willen we eigenlijk naartoe, welke modellen van omgaan met flexibele arbeid geven perspectief voor werkgever en werknemer op de lange termijn? En ook: hoe maken we de agrarische en groene sector aantrekkelijker voor werknemers? Over deze onderwerpen heeft Actor/Colland Bestuursbureau in opdracht van de Colland Sectorraad op 11 juni 2009 een studiebijeenkomst georganiseerd waarin 20 afgevaardigden uit zowel werknemers- als werkgeversorganisaties met elkaar hebben gebrainstormd over de perspectieven en modellen voor flexarbeid in de toekomst.
Krachtenveld en ontwikkelingen
De agrarische en groene sector kennen vanouds grote pieken en dalen, die overigens per sector sterk in omvang verschillen. Maar de noodzaak van flexibiliteit van arbeidsinzet blijft aanwezig. De behoefte aan flexibiliteit voor de werkgever is duidelijk. Maar realiseren we ons wel dat voor veel werknemers flexibiliteit ook een wens is? De kunst wordt nu om de wensen van werkgever en werknemer creatief aan elkaar te verbinden.
Houtskoolschetsen voor de toekomst
De aanwezigen dachten na over modellen voor de toekomst, perspectieven en oplossingsrichtingen. Het is duidelijk dat er niet één model te bedenken is, dat aan alle eisen en wensen voldoet. Uiteindelijk zijn houtskoolschetsen ontstaan voor drie modellen met verschillende 'natuurlijke' toepassingsgebieden. Dat heeft te maken met drie kenmerken van een sector:
De mate van variatie in de hoeveelheid arbeid die nodig is over de verschillende perioden van het jaar.
De mate waarin kennis en competenties belangrijk zijn.
De economische karakteristieken van bedrijven.
De modellen:
A: Meer flexibiliteit in vaste contracten
In dit model hebben de medewerkers zoveel mogelijk een vast contract, maar het aantal uren per jaar en periode en de uren van de dag waarop gewerkt wordt, worden flexibel ingevuld.
Sectoren waar dit model goed past zijn de loonwerksector en de hovenierssector. De aard van het werk eist veel kennis en competenties en in de loonwerksector worden er hoge eisen gesteld aan het werken volgens strakke voorschriften. Dat kan alleen ingevuld worden met goed opgeleid personeel. Dit model is ook goed toepasbaar voor de kernmedewerkers in bedrijven die veel uitzendkrachten in dienst hebben zoals in de glastuinbouw.
B: Regionale flexibiliteit voor meerdere sectoren
De kern hiervan is dat regionaal een 'pool' agrarische medewerkers wordt gevormd, een 'regionaal knooppunt'. De medewerkers krijgen een 'vast contract' bij het regionaal knooppunt. Het is een model van bemiddelen en/of uitzenden en lijkt in veel aspecten op de gespecialiseerde uitzendbureaus voor Nederlandse werknemers in de agrarische sector. Maar het model beoogt meer. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat in de medewerkers wordt geïnvesteerd, door scholing, inzet in bedrijven die mensen aandacht geven en opleiden en door het ontwikkelen van meerdere specialiteiten. De medewerkers zijn geen 'handjes' meer, maar goed gekwalificeerde, multi-inzetbare medewerkers. Het ervaringsprofiel van de medewerkers heeft veel trekken van de ZZP-er, een vakman (m/v), gemotiveerd en werkend aan de eigen toekomst. ZZP-ers zouden overigens prima in dit model mee kunnen draaien onder een aangepaste contractvorm. Dit model is toepasbaar in vele sectoren, de bollensector, fruitteelt, glastuinbouw en vollegrondstuinbouw. Hoe meer sectoren meedoen, hoe effectiever het model.
C: Pure capaciteitsflex met tijdelijke contracten of via uitzendbureaus
Dit model wordt massaal toegepast in veel sectoren, ook waar de gevraagde arbeidsinzet niet zo sterk fluctueert. De laatste jaren wordt dit ingevuld door werknemers uit de nieuwe EU landen, vooral Polen. Een punt van zorg is het nog steeds actief zijn van malafide uitzendbureaus en malafide werkgevers die ten koste van de werknemers en de bonafide werkgevers, sjoemelen met lonen, afdrachten en huisvesting. Bovendien leiden deze praktijken tot een slechte naam van de sector. Werkgevers kiezen voor dit model vanwege de lage arbeidskosten en de mogelijkheid om de medewerkers snel naar huis te sturen als de arbeidsbehoefte minder is.
Het model is toepasbaar waar het vooral gaat om het inhuren van 'handjes', mensen met lage opleiding, maar wel met de bereidheid om hard te werken.
Het gehele verslag van MargreetVerkerk van Actor/Colland Bestuursbureau en Kees Rippen van Berenschot is binnenkort te lezen op de site van Colland.
Bron: www.agriholland.nl/
27-08-09 | Artikel doorsturen |